Dit kleurige schelpje komt van een slak die in Indonesië op het eiland Tanimbar in het bos op bomen leefde. Schelpen van dit geslacht werden in de 18e eeuw voor het eerst naar Europa gebracht en worden sindsdien intensief verzameld en bestudeerd, desondanks weet men vrijwel nog steeds niets van hun levenswijze. De luchtademende landslakken van het geslacht Amphidromus zijn morfologisch zeer variabel, vooral qua tekening en kleur. Dit maakt het extra lastig om ze juist te determineren en veel soorten worden dan ook regelmatig opnieuw benoemd of opnieuw ingedeeld. De amphidromus columellaris schelpen zijn vrijwel allemaal linksdraaiend, iets wat binnen de wereld van slakken redelijk zeldzaam is.
Amphidromus slakken zijn uniek aangezien ze zowel links als rechtsdraaiende soorten kennen. Sommige hiervan zijn linksdraaiend en andere rechtsdraaiend, echter zijn er ook die volledig amfidroom, of amphidromien zijn, bij deze soorten komen binnen een populatie in vrijwel gelijke aantallen zowel links- als rechtsdraaiende exemplaren voor. Aangezien er geen andere amfidrome slakkensoorten meer bestaan, neemt Amphidromus met zijn meer dan 110 verschillende soorten een unieke positie in en wordt hij uitvoerig bestudeerd op de genetische en evolutionaire aspecten die symmetrie binnen diersoorten bepalen. Maar ondanks al dat onderzoek heeft men nog steeds geen flauw idee hoe deze links- en rechtsdraaiende karakteristieken worden doorgegeven.
Amphidromus komt van het Griekse woorden amphi, wat aan beide kanten betekent en dromos wat weg of lopend betekent. Deze naam verwijst naar de beide richtingen waarin deze schelpen zich winden.
Lees ook: Tegengesteld gedraaide geslachtsorganen, Liguus virgineus, Wijngaardslak (Helix pomatia), Anostoma depressum, Parende segrijnslakken dansen wang aan wang (Cornu aspersum) en Cupido’s pijl is van aragoniet.
Geen reacties
Reageer: