Deze elegante zwart-witte sluipwesp met vuurrode poten is een van Europa’s grootste sluipwespen. De vrouwtjes kunnen 4 cm lang worden en dragen een legboor van minstens dezelfde lengte. Met deze lange legboor kunnen ze diepere gaten in het hout boren dan andere sluipwespen en daardoor ook hun eieren in larven leggen die dieper in het hout leven, zoals in die van reuzenhoutwespen en boktorren.
Met haar dunne legboor boort ze niet alleen het gat, maar kan ze ook ruiken waar de larve zich bevindt. Zoekende naar een slachtoffer kun je haar soms over een tak of stam zien dansen. Als ze eenmaal begint met boren, staat ze zo hoog mogelijk op haar poten met haar achterlijf recht omhoog en vouwt ze haar legboor zover naar beneden, dat ze het puntje daarvan nog net op het hout kan zetten. Het aanboren van een larve kan meer dan een half uur duren, waarbij haar boor gaandeweg steeds dieper in het hout komt te zitten en dat maakt haar natuurlijk kwetsbaar. Feitelijk zit ze gedurende het aanboren van een larve vastgepind aan haar legboor, wat een roofdier de mogelijkheid geeft haar te vangen. Bijgevoegde foto is dan ook van een legboor, met een stukje van het achterlijf van een Houtsluipwesp die tijdens het boren is opgegeten, er nog aan vast.
 40-4_290.jpg?cached=1757330184)
 40-5_290.jpg?cached=1757330185)
 40-2_290.jpg?cached=1757330188)
Deze wesp is gefotografeerd op het Leersumse veld, waar ze op een omgevallen dennenboom langere tijd ronddartelde en enkele testgaten boorde tot ze uiteindelijk een larve had gelokaliseerd en haar boor met oneindig geduld langzaam in het hout dreef.
Lees ook: Appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis), Ephialtes manifestator en Parasitisme, een olifantenpaadje van de evolutie dat wordt aangedreven door het principe van de kleinste werking.
Geen reacties
Reageer: