Aan
onze
Noordzeestranden
vind
je
bij
de
vloedlijn
vaak
massaal
de
kokertjes
van
het
goudkammetje.
Deze
borstelworm
maakt
uit
zandkorreltjes
en
kleine
stukjes
schelp
een
prachtig
taps
toelopend
kokertje
van
zo'n
5cm
lang,
dat
aan
beide
kanten
open
is.
Ze
graven
zichzelf
in
de
zandbodem
in
en
voeden
zich
daar,
met
de
kop
naar
beneden,
met
kleine
diertjes
zoals
kreeftachtigen
en
nematoden.
Ze
zijn
heel
algemeen
en
komen
soms
met
wel
duizend
exemplaren
per
vierkante
meter
in
kilometerslange
rif-vormige
heuvels
voor.
Samen
met
koraal
zijn
het
daarmee
de
belangrijkste
bouworganismen
van
kustlijnen.
Hun kokertjes zijn precies 1 zandkorrel dik. Als je er met een vergrootglas naar kijkt, zie je dat deze korrels niet willekeurig zijn geplaatst, maar op vorm zijn uitgezocht zodat ze zo strak mogelijk tegen elkaar aanpassen. Deze minutieuze mozaïekjes worden door speciale klieren met een bio mineraal cement aan elkaar gelijmd. Dit cement bevat o.a. mangaan, fosfor en calcium. Bijzonder genoeg droogt dit cement onder water en is het sterk genoeg om van een enkele laag zandkorrels een stabiele koker te vormen die ook nog eens tegen een behoorlijke druk bestand is. Toen ik het kokertje van het strand vond was het nog nat, maar wel sterk genoeg om opgepakt te worden en in een doosje mee naar huis te nemen. Toen ik het een aantal dagen nog eens oppakte, bleek de inmiddels droge koker een stuk kwetsbaarder dan de natte en brak hij.
Lees ook: Kleine slangster (Ophiura albida), Wulk (Buccinum undatum), Zeeschuim (Ossa sepia) en Boorspons (Cliona celata),
Geen reacties
Reageer: