Weblog
Kettingschalebijter (Carabus granulatus)
Dit is nou typisch zo’n kever die je zelden ziet maar, als je weet waar je moet zoeken, makkelijk vindt. Overdag schuilen deze snelle nacht-actieve jagers onder stenen of loszittend schors, en als je in natte graslanden of bosgebieden vlak bij waterkanten onder schors van dode boomstammen kijkt, kom je ze vaak tegen. Deze kevers zijn het hele jaar door actief, behalve in de winter, dan schuilen ze gezamenlijk voor de vorst. Verstopt achter het schors van dode bomen en omgeven door een dikke laag houtpulp, houden ze het daar vol tot de temperatuur weer omhoog gaat. Ze jagen in de strooisellaag op de bodem naar wormen en slakken, die ze met hun sterke kaken in stukjes scheuren. Het wijfje zet haar eitjes, zo’n 40 stuks, af in de bodem. De roofzuchtige en stekelige larven jagen op wormen en kleine insecten, maar bestrijken daarbij niet zoveel grondgebied als de volwassen kevers.
 11-2016 3215_200.jpg)
De kettingschalebijter is een van de weinige Carabus-kevers die kan vliegen. Dit geldt echter niet voor elk exemplaar. Binnen de soort komen exemplaren met volledig ontwikkelde vleugels, maar ook met gereduceerde vleugels voor. Deze relatief kleine schalebijters worden tussen de 17 en 25mm groot en zijn te herkennen aan hun zwarte poten, lange volledig zwarte sprieten en rugschilden met drie rijen geribbelde lengtegroeven, die wel wat op gedraaide koorden lijken. Ze variëren in kleur van koperrood of groen tot bijna zwart.
 11-2016 3224_200.jpg)
Ze zijn makkelijk te verwarren met Carabus cancellatus, deze is echter wat kleiner en lichter van kleur en heeft een rood basaalsegment aan zijn voelsprieten. Ook lijken ze enigszins op Carabus arvensis, maar die is makkelijk te herkennen aan zijn rode dijen. Zoals bij de meeste loopkevers kun je de mannetjes van de vrouwtjes onderscheiden aan de verbrede tarsen van hun voorpoten. Die gebruiken ze om zich tijdens de paring aan het wijfje vast te houden.
De afgebeelde kevers zijn allemaal in het natuurgebied De Brand gefotografeerd.
Lees ook: Paarse loopkever, Violette schallebijter en Korrelschallebijter, Grote Spinnende Watertor (Hydrophilus piceus) en Het vliegend hert.
Rupsendoder (Cordyceps militaris)
Hoewel veel bronnen zeggen dat deze zwam algemeen voorkomt, stond hij niet in mijn uitgebreide paddenstoelengids en had ik hem nog niet eerder gezien. Op zich is dat laatste niet zo gek, want ik vond hem bij toeval, verstopt onder losse bladeren tussen het mos naast een boomstronk. Deze parasitaire zwam leeft overwegend op nachtvlinderpoppen en heel zelden ook op die van kevers of langpootmuggen. De rups wordt geïnfecteerd als hij met sporen besmette planten eet. Deze sporen ontwikkelen zich in zijn lichaam maar houden hem zo lang mogelijk in leven. Pas als de rups zich onder de grond verpopt, dood de zwam zijn gastheer en groeit eruit en om de pop heen het vruchtlichaam. Deze groeit omhoog en vormt boven de grond een paar centimeter hoog geel tot knaloranje knotsje waar de sporen zich uit ontwikkelen. De sporen bevinden zich in de buitenste weefsellaag van de zwam in knobbelvormige bultjes (peritheciën). De vruchtlichamen zijn slechts enkele weken boven de grond zichtbaar, waar ze vrijwel altijd tussen haakmos staan. Je vindt ze het meest op matig bemeste graslanden en in loofbossen. De afgebeelde exemplaren zijn afgelopen week in natuurgebied De Brand gefotografeerd, waar ze aan de voet van een aantal verrotte stronken van populieren, tussen het haakmos omhoog staken.
 11-2016 3231_200.jpg)
De Latijnse naam, Cordyceps militaris, laat zich vertalen als gewapend knotshoofdje. Deze paddenstoel bevat cordycepine, dat bacterie dodende eigenschappen en een ontstekings- en tumorgroei remmende werking heeft. Sinds de negentiende eeuw probeert men al om deze paddenstoel commercieel te kweken, maar pas sinds het begin van de eenentwintigste eeuw is men hierin geslaagd.
Lees ook: Zwarte Truffelknotszwam (Cordyceps ophioglossoides) en Cordyceps.
Zwarte Truffelknotszwam (Cordyceps ophioglossoides)
De zwarte truffelknotszwam is een redelijk zeldzame parasitaire zwam die een nagenoeg verborgen leven leidt. Het overgrote deel bevindt zich ondergronds en het kleine zwarte gedeelte dat uit de bodem omhoog steekt, bevindt zich meestal tussen mos en gevallen bladeren. Veel mensen zullen deze onopvallende zwam dan ook nooit opmerken. De afgebeelde exemplaren zijn afgelopen maand gefotografeerd op het Leersumse veld in Utrecht. Hier stonden ze in de schaduw van een paar dennen tussen het mos.
Deze zwam leeft endoparasitair op ondergrondse paddenstoelen, zoals de hertentruffel. Je vindt ze vrijwel overwegend in mosachtige omgevingen met dennen. Daar zie je soms de enkele centimeters grote tongetjes tussen het mos doorsteken. Als een cordyceps-zwam een truffel bezet, dringt zijn mycelium in het lichaam van de truffel en vervangt daar uiteindelijk diens cellen. Op het vruchtlichaam, zitten kleine bolvormige capsules (peritecia) waarin de draadvormige sporen zitten. Deze vruchtlichamen beginnen glad roodbruin en worden al snel zwart en bepukkeld. Als je de zwam voorzichtig uitgraaft, kun je aan het einde van de lange draad de geparasiteerde truffel vinden. Deze lange draad is echter dun en breekt makkelijk af.
Hoewel de zwarte truffelknotszwam meestal wordt vermeld als Cordyceps, wordt hij ook vaak als Topylocladium- of Elaphocordyceps ophiolossoides gedetermineerd. De vermelding ophioglossoides komt uit het Grieks en betekent slangentongachtig. De familienaam Cordyceps stamt af van het Griekse kordyle (knots) en het Latijnse ceps (hoofd).
Cordyceps paddenstoelen zijn voor de farmaceutische wereld erg interessant. Zo worden ze gebruikt als opwekkende thee en voedingssupplement, maar hebben ze ook antibacteriële eigenschappen en zijn ze veelbelovend in het terugdringen van tumoren. Modern onderzoek vindt steeds meer toepassingen voor deze paddenstoelen zoals bij kankerbestrijding, orgaantransplantatie en ingewandsstoornissen.
Lees ook: Cordyceps.
Zelfgemaakt mes no. 7
Omdat ik moeilijk aan grote en dikke stukken 440c en D2 staal kon komen, heb ik dit mes uit Böhler 690 gemaakt. Dit is relatief goedkoop en in grotere maten verkrijgbaar. Het nadeel was wel dat het niet geheel vlak werd aangeleverd en dat het tijdens het harden krom trok. Iets dat ik totaal niet had verwacht, want het staal was 8mm dik en gelijkmatig geslepen. Met veel moeite en flink wat bijslijpen heb ik het uiteindelijk toch nog recht gekregen, maar dat is helaas wel iets ten koste van de dikte van de rug gegaan, deze is nu nog ‘slechts’ 7 mm dik. Door de angel van het handvat verder naar achteren taps te laten toelopen, is het mes uiteindelijk toch nog helemaal recht gekomen. De heften zijn uit buffelhoorn en gestabiliseerd giraffebot die met messing aan het staal zijn geklonken. De achterkant van het mes heeft een verborgen u-vormige bus, waar een touw of riem doorheen gehaald kan worden, zonder dat deze in direct contact met de hand komt.
Het is een groot en zwaar mes dat, dankzij het gevormde handvat, wel goed en stevig in de hand ligt. Je kunt er zowel mee hakken als gecontroleerd mee snijden. Het klieft moeiteloos door dikke takken, maar je kunt er ook een ui mee snipperen.

Als je het mes op het handvat vasthoudt, ligt het zwaartepunt net voor de choil en kun je er goed mee kappen. De hoek tussen het lemmet en het handvat zorgt er verder voor dat je het mes makkelijk impuls kunt geven om flink mee te houwen. Het mes heeft behalve een diepe vingergroef ook een grote choil, die als extra vingergroef gebruikt kan worden. Als je de greep op het mes naar voren plaatst, krijg je daardoor meer controle tijdens het snijden. De rug van het mes heb ik bewust vlak gehouden, zodat je er desgewenst met een stuk hout op kunt slaan als je het mes als wig wilt gebruiken om grotere stukken hout mee te splijten.

Het mes is 39,5 cm lang, 4,5 cm hoog, weegt 635 gram en heeft een snijvlak van 25 cm. Het volgende project is om voor dit mes een passende hoes te ontwerpen en maken.
Lees ook: Schede voor mes no. 6.
Een Snip op Straat (Scolopax rusticola)
Toen ik gisteren naar mijn werk fietste, lag er een snip op de stoep. Hij keek verdwaasd uit zijn ogen en stond te wankelen. Twee behulpzame dames hadden een doosje gehaald en de dierenambulance gebeld. Dit is zo’n beetje de enige tijd van het jaar dat je een houtsnip in de stad tegenkomt. In het najaar trekken ze vanuit het koude Noorden en Noordoosten wat zuidelijker en worden ze vaak door de lichten van de stad aangetrokken. Houtsnippen hebben hele goede ogen en vliegen vaak ’s nachts. Deze ogen staan relatief ver naar achteren en hoog in de schedel, zodat hij de hele omgeving in de gaten kan houden, zonder met zijn kop te hoeven draaien. De achterkant van zijn schedel staat aan de zijkanten zelfs een beetje hol, zodat de houtsnip een 360° zicht heeft. Dat is natuurlijk een groot voordeel als hij met zijn lange gevoelige snavel in de bodem naar wormen, larven en insecten zoekt. Er zijn dan ook weinig roofdieren die dit schuwe en goed gecamoufleerde beestje onverwacht kunnen verschalken. Het is echter wel een nadeel als hij in volle vlucht op het laatste moment iets wil ontwijken. Omdat zijn ogen hem geen goed dieptezicht geven, kan hij moeilijk afstanden inschatten. Menige houtsnip die ’s nachts in de stad is neergestreken, vliegt bij het ochtendgloren dan ook keihard tegen onze glazen gebouwen op. Dat was dan ook precies wat met deze houtsnip is gebeurd. Toen hij in de vroege ochtend wilde wegvliegen, stond het glazen kantoorgebouw aan de spoorlaan in Tilburg in de weg. Gelukkig heeft hij deze botsing overleefd, iets wat veel andere vogels helaas niet kunnen zeggen. Dergelijke glazen gevels zijn verantwoordelijk voor veel sterfgevallen onder vogels.
 22-11-2016 3434_200.jpg)
Op houtsnippen mag sinds 2002 niet meer worden gejaagd, ze zijn nu een beschermde diersoort. Voorheen was het een gewilde jachtvogel en het enige kleinwild waar jagers een trofee van namen. Het kleine ranke veertje aan zijn duim, ook wel het snippenveertje of schildersveertje genoemd en de snippenbaard, een waaiervormig veertje van zijn rug, ter hoogte van de staartinplant, waren beide gewilde trofeeën die jagers graag op hun pet staken. Het schildersveertje dankt zijn naam aan het feit dat het wel voor fijnschilderwerk en aquarellen werd gebruikt.
Vroeger noemde men houtsnippen ook wel “dame met het lange gezicht” of “dame met de fluwelen ogen” vanwege hun zwarte glanzende ogen en lange snuit. Ook stonden ze bekend als hemelgeiten. Snippen die in het voorjaar hun baltsvlucht maken, laten zich vaak geleidelijk met gespreide staartveren omlaag vallen. Het klapperen van de staartveren lijkt dan wel wat op het blaten van een geit. Dankzij zijn wispelturige schokkerige vlucht, zijn knorrende, piepende en blatende geluiden en zijn verborgen nachtelijke leven is de houtsnip verreweg onze interessantste snip. Toch heeft hij in Nederland nooit een postzegel of valuta gesierd, die eer bleef behouden aan de watersnip en de poelsnip die tussen 1980 en 2002 respectievelijk aan de voor- en achterkant van een briefje van honderd gulden stonden. Houtsnippen hebben in veel andere landen van Europa (oa Duitsland, Malta, Polen en Roemenië) wel op postzegels gestaan.
Rectificatie (23-11-2024): In dit bericht was een fout geslopen, de naam hemelgeit behoort toe aan de watersnip, niet aan de houtsnip. In sommige publicaties werd het blatende geluid dat de staartveren van de houtsnip maken ook aan de watersnip toebedeeld. Ik heb echter niet kunnen verifiëren of de watersnip dit vermogen ook heeft, maar deze dame met de fluwelen ogen kan dus geen aanspraak maken op de titel hemelgeit.
Paarse loopkever, Violette schallebijter en Korrelschallebijter
De paarse loopkever is een grote zwarte loopkever met een paars-violette glans op het borstschild en op de randen langs zijn dekschilden. Hij heeft weliswaar vleugels onder deze dekschilden, maar kan daar niet mee vliegen. Het is een snellopend roofdier dat 3,5 cm groot kan worden en ’s nachts op slakken, wormen en larven jaagt. Overdag schuilt hij onder stenen en houtstronken. Ze hebben grote kaken waarmee ze zelfs ons pijnlijke kunnen bijten en hun prooien in stukjes knippen. Ze behoren tot het kevergeslacht Carabus of zoals we ze in het Nederlands noemen, de schallenbijters, een verzamelnaam voor kevers die men ook wel “echte” loopkevers noemt. Ze danken deze naam aan escarbot, het Franse woord voor mestkever. Dit woord verbasterde tot scalbote en werd later als schalebijter gebruikt voor loopkevers. De Latijnse geslachtsnaam Carabus is ook van mestkever afgeleid en komt van het Griekse karabos, dat gehoornde kever betekent.

Schallebijters zoeken elkaar in de lente op en de vrouwtjes zetten na de paring de witte eitjes één voor één af in de bodem of in dood hout. De forse zwarte larven zijn net zo snel en vraatzuchtig als de kevers en kunnen ook net zo vervaarlijk bijten. Ze hebben nog geen samengestelde ogen en vervellen twee keer voor ze zich na tien maanden in een cocon verpoppen. De volwassen kever kruipt aan het begin van de herfst uit zijn pop maar overwintert eerst om daarna pas in de lente van het volgende jaar tevoorschijn te komen. Omdat ze veel op wortel knagende larven jagen, zijn ze heel gewild in tuinderijen. Ze komen redelijk algemeen voor in parken, bossen, heidegebieden en tuinen in heel Europa tot in Scandinavië en Groot Brittannië.
Paarse loopkevers (Carabus violaceus, 1758) hebben nagenoeg gladde elytra (dekschilden) met slechts een lichte structuur, maar er bestaat ook een ondersoort met richels en putjes op de elytra, deze noemt men vaak Violette schallebijter (Carabus violaceus purpurascens, 1787). Om het moeilijker te maken is er nog een andere schallebijter, de Korrelschallebijter (Carabus problematicus, 1786) die uiterlijk sterk op de Violette schallebijter lijkt. Deze is net iets minder langwerpig en heeft meer een voorkeur voor duinen en zanderige streken. Hij onderscheidt zich van beide andere kevers doordat de achterpunten van zijn borststuk (protonum) boven het vlak van het protonum uitsteken. Bij de paarse loopkever en de violette schallebijter liggen deze punten beide onder het vlak van het protonum. Daarnaast heeft Carabus problematicus nog iets prominentere richels en korrels op zijn elytra dan de violette schallebijter. Alle drie de soorten lijken echter zoveel op elkaar dat niemand het je kwalijk zal nemen als je ze in het veld gewoon paarse loopkevers noemt.
Love Trump's Hate
Deze slogan van het Hillary kamp kan heel goed aan Trump zijn overwinning hebben bijgedragen. Hij zorgde er in elk geval voor dat bij elke uiting van de democraten de naam van Trump werd getoond. Goede slogans zijn niet dubbelzinnig, slogans moeten een eenduidige niet mis te verstane boodschap in zo min mogelijk woorden overbrengen. Veel slimme en dubbelzinnige teksten worden onbewust vaak niet zo gelezen. Deze door Glenn L. Campbell geschreven slogan is door veel kiezers als love Trump, of zelfs als love Trump’s hate opgevat.
De slogan van Trump, make America great again, is natuurlijk niet van hemzelf afkomstig. Ronald Reagan gebruikte hem al in 1980 tijdens zijn eigen campagne. Hij is echter wel veel sterker dan die van Hillary. Hij zorgt ervoor dat je Trump associeert met Amerika en dat mensen dus eigenlijk voor zichzelf kiezen.
Hillary heeft met haar dubbelzinnige slogan Trump dus onbewust in de kaart gespeeld.
Lees ook: Democratie en Schuttingtermen, Sarah bernhardt en The Greenwich Timelady.
Vox populi en populisme
Populistische politici zoals Donald Trump poseren zichzelf als sterke leiders die de emoties van het volk vertegenwoordigen. Je hoort ze dan ook in het openbaar regelmatig refereren aan de wens of de stem van het volk, waarbij zij pretenderen de enige politicus te zijn die daar echt naar luistert. Om die reden hebben ze ook overwegend negatieve programma’s en spelen ze in op onvrede en angst. Het volk is tenslotte altijd ontevreden en als populist kun je daar gebruik van maken. Door collectieve onvrede te benoemen kun je mensen verenigen zonder dat ze zich druk hoeven te maken over de complexiteiten van een oplossing.
Omdat populistische politici een volk op hun onvrede aanspreken, hebben zij steevast een zondebok nodig. Bij voorkeur een minderheidsgroepering. Het helpt niet als je het volk vertelt dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun ellende. Het is veel makkelijker om Marokkanen, Mexicanen, Joden, Zigeuners, moslims, of je politieke tegenstanders de zwarte piet toe te schuiven.
Populisten houden daarnaast niet van nuances, compromissen of open debatten. Ze krijgen hun grootste aanhang juist in de aanloop naar verkiezingen, als de emoties het hoogst oplopen. Waarbij zij de stemmers op het hart drukken dat zij niet doof zijn voor de stem van het volk, dat zij geen achterkamer compromissen zullen sluiten, en bovenal dat zij de bron van alle ellende en alle onvrede eindelijk eens echt zullen gaan aanpakken. Dit doen ze steevast met Peppie-en-Kokkie-oplossingen, zoals deportaties, annexaties en muren. Alhoewel dergelijke oplossingen natuurlijk geen echte oplossingen zijn en veelal meer problemen veroorzaken dan ze oplossen, is de ontevreden bevolking blij dat er eindelijk eens een leider opstaat die het probleem niet alleen benoemt, maar daar ook een voor hen begrijpelijke oplossing voor aandraagt.
Omdat de populistische politicus zich presenteert als de vox populi, de stem van het volk, verkrijgt hij een hechte emotionele band met zijn volgelingen. Deze schenken hem hiervoor een vertrouwen dat is geboren uit het geloof dat deze leider hun taal spreekt en als een soort van Sinterklaas hun specifieke individuele problemen gaat oplossen. Volgelingen van dergelijke leiders zijn dan ook sneller geneigd om diens gedrag, hoe afstotelijk ook, te bagatelliseren.
Deze combinatie van elementen, het inspelen op angst en onvrede, het benoemen van een zondebok, het bieden van een toveroplossing en het verkrijgen van het vertrouwen van de man met de pet, maakt populisten bijzonder gevaarlijk. De geschiedenis leert dat zij snel en relatief makkelijk aan de macht komen, maar dat zij totaal niet zijn opgewassen tegen de complexe taken van regeren. Het duurt meestal dan ook niet lang tot het volk weer begint te morren en wat dergelijke leiders, die de macht volledig naar zich hebben toegetrokken, dan doen, is nog maar de vraag.
Lees ook: De inaugurele rede van Believe me Trump, Donald Trump en The Overton Window en Democratie en Schuttingtermen.
Schubbige Fopzwam (Laccaria proxima)
Hoewel deze algemene plaatjeszwam eetbaar is, zou ik mezelf er toch niet aan wagen. Zijn naam is niet voor niets fopzwam. In het Engels noemt men hem terecht “scurfy deceiver”. Hij lijkt teveel op andere potentieel dodelijke paddenstoelen zoals het giftige mosklokje of de gordijnzwammen. Fopzwammen hebben een sterk wisselend uiterlijk dat onder andere afhankelijk is van hun leeftijd en de weersomstandigheden. Zo beginnen ze vaak felrood of oranje en verkleuren daarna naar rozebruin of grauwgrijs. De geschubde fopzwam heeft in tegenstelling tot de gewone schubzwam (Laccaria laccata) geen kale hoed maar is schurftig tot fijn geschubd en over het geheel wat robuuster. Je vindt hem vaak op natte plaatsen in naald en loofbossen.
Fopzwammen zijn ectomycorrhiza-partners van veel bomen. Dit betekent dat zij een symbiotische samenwerking aangaan, waar beide van profiteren. Deze paddenstoelen gaan vaak al in een vroeg groeistadium van een boom deze verbintenis aan. Zijn schimmeldraden groeien om de buitenkant van de wortels heen en dringen in de worteltop tot in de intercellulaire ruimtes door. Ze helpen de boom daarna bij het opnemen van water en mineralen en krijgen hier koolstof en andere organische voedingsstoffen voor terug. Sommige van deze zwammen, zoals de tweekleurige fopzwam (Laccaria bicolor) produceren zelfs giftige druppels waarmee ze nematoden of springstaartjes verlammen. Ze nemen daarna het stikstof uit deze prooien op en geven dit gedeeltelijk weer aan de boom af. Sommige van deze schimmels kunnen bomen zelfs tegen zware metalen zoals nikkel beschermen, hoewel tot nu toe nog niet bekend is hoe ze dat doen. Deze symbiose tussen schimmels en planten bestaat al meer dan 50 miljoen jaar. Veel bomen zijn op deze manier volledig van paddenstoelen afhankelijk en zouden zonder deze symbiose niet kunnen overleven. De aanwezigheid van ectomycorrhiza-schimmels is hierdoor niet alleen bepalend voor de algehele gezondheid van een bos, maar ook voor diens biodiversiteit. In sommige kwekerijen worden deze paddenstoelen gebruikt om zaailingen zich sneller te laten ontwikkelen.
Klik hier voor meer berichten over paddenstoelen.
