Vroeger zag je ze overal, nu beginnen ze zo schaars te worden dat men al speciale nestkasten moet ophangen om ze een broedkans te bieden. In mijn jeugd had ik nooit kunnen vermoeden dat de alom vertegenwoordigde huismus ooit nog eens op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten terecht zou komen. De afname van het aantal huismussen begon in de jaren tachtig en gaat sindsdien steeds sneller. We zitten nu op nog maar 50% van het totale aantal broedparen en ze verdwijnen zo langzamerhand uit ons straatbeeld. Ik herinner me nog dat je bijna niet op een terrasje kon gaan zitten, zonder dat dit kleine brutale vogeltje de broodkruimels van je bordje kwam pikken. Als een kleine bruine tennisbal stuiterden ze tussen de tafelpoten en bij het minst geringste stoven ze massaal kwetterend in de struiken. Zelfs bij het oude flatgebouw waar ik ben opgegroeid zaten er ontelbaar veel musjes in de schaarse bosjes bij de straatkant. Je hoorde ze de hele dag door tjilpen en ze kwamen regelmatig op ons balkon. Blijkbaar worden onze steden te netjes en blijft er te weinig voer en nestruimte voor deze kleine schobbejakken over. En dat vind ik echt jammer. Gelukkig hangen er bij ons in de buurt nu al aardig wat nestkasten waar de huismus dankbaar gebruik van maakt. Als iedereen nu, net als vroeger, de broodkruimels van het tafelkleed gewoon uit het raam schudt, komen ze er misschien wel weer bovenop.
Weblog
Huismus (Passer domesticus)
Mandarijneend (Aix galericulata)
Bij ons achter het Wilhelminakanaal ligt een klein parkje met een vijver. Afgezien van wat vissers en mensen die hun hond uitlaten zie je er bijna nooit iemand. Maar er zitten wel veel watervogels. Ik zie er regelmatig Egyptische ganzen, futen, kuifeenden en laatst zelfs een mandarijneend. Deze vogel lijkt nog het meest op een door een kind ingekleurde kleurplaat. Mandarijneenden komen oorspronkelijk uit Oost China en Noord Korea. In de 18e eeuw werden ze als siervogel naar Europa geïmporteerd. Het eerste gedocumenteerde wilde broedpaartje in Nederland stamt uit 1964. Sindsdien zijn ze wel wat in aantal toegenomen maar is het nog steeds een zeldzame verschijning. Deze vogels liggen hoog op het water en met het zonlicht op hun veren vallen ze goed op. De mannetjes verliezen in de rui hun mooie baltskleed, ook de snavel kleurt dan minder rood en de poten minder geel. Omdat het mannetje dan vrijwel zijn volledige verenkleed wisselt, waaronder ook zijn slagpennen, kan hij geruime tijd niet vliegen en is hij kwetsbaar. Pas in de herfst krijgt hij weer zijn mooie baltskleed terug.
Futen in de haven van Enkhuizen
Afgelopen weekend was ik bij een smederij in Enkhuizen. Daar presenteerden ze een slijpmachine die mij bij het messen maken veel tijd kan gaan besparen. Ik wilde hem, voor ik hem zou kopen, eerst zelf uitproberen. Omdat deze presentatie in de ochtend was, besloot ik daarna nog even bij de Compagniehaven te gaan kijken. Ik had gehoord dat daar een futenkolonie zat, en omdat de futen bij ons achter in het Wilhelminakanaal al bijna allemaal jonkies hebben, had ik gehoopt ook in Enkhuizen wat foto’s van jonge futen te kunnen maken. Helaas hadden de reigers alle jonkies daar opgegeten en waren er dus alleen nog volwassen paartjes. Op zich is dat voor de futen niet zo’n heel groot probleem, want zij kunnen drie broedsels per seizoen grootbrengen. Via de steiger kon je de futen goed observeren en ik heb er het grootste gedeelte van de middag doorgebracht. Ik heb ze zien vechten, baltsen en paren.
 3-2016 6770_200.jpg)
Als er een fuut (Podiceps cristatus) te dicht in de buurt van een ander zijn wijfje of nest kwam, staken ze dreigend hun kop naar beneden. Met hun snavels net boven het water schoten ze dan op de indringer af. De gevechten waren niet mis, ze staken met hun scherpe snavels op elkaar in en ik heb heel wat futen met bloed op hun snavels gezien.
 3-2016 7341_200.jpg)
De futenbalts is terecht beroemd. Ze voeren een langdurig ballet op en schudden hierbij om de beurt met hun kop, daarna maken ze nog een aantal mooie gesynchroniseerde bewegingen en bieden ze elkaar wat nestmateriaal aan. Hierbij steken ze de koppen bij elkaar en duwen elkaar met de borst omhoog uit het water.
 3-2016 6841_200.jpg)
Voor de paring ging het wijfje uitnodigend op het gammele drijvende nest liggen. Het duurde vaak even voor het mannetje op haar uitnodiging in ging en het wijfje moest dan minuten lang liggen wachten. Als het mannetje uiteindelijk op haar klom, was het ook zo gebeurd, al na een paar seconden liet hij zich via haar hals en kop naar voren af het water in glijden. Telkens nadat een paartje andere futen hadden weggejaagd, herhaalden zij een gedeelte van hun balts. Door tegenover elkaar met hun koppen te draaien en knikken haalden zij hun band weer aan.
Dennenvoetzwam (Phaeolus schweinitzii)
Deze zwam groeit het liefst op dennenstobben of aan de voet van naaldbomen. Het vruchtlichaam ontwikkeld zich in de herfst en groeit dan erg snel. Vaak omvat het tijdens deze groei andere planten zoals gras of takjes. De zwam begint als een brede zachte fluweel gele hoed met een trechtervormig centrum, maar al binnen enkele weken scheidt hij een kleverige stof uit en kleurt hij donker. Een oud vruchtlichaam is helemaal verhard en zwart. De dennenvoetzwam is een parasitaire schimmel die bruinrot aan de stam en wortels veroorzaakt. De zwam kan zich pas vestigen als de boom is verzwakt. Lang na de dood van zijn gastheer blijft de zwam in het hout aanwezig en kan jaren na het vellen van de boom nog tevoorschijn komen.
Deze zwam werd vroeger veel gebruikt om stoffen en wol mee te kleuren. De gele randen van een jonge zwam kunnen worden gebruikt om iets helder geel mee te kleuren, terwijl de donkerdere gedeelten een roestbruine kleur afgeven. Afhankelijk van het te verven materiaal en het gebruikte fixeermiddel kan deze zwam een gele, gouden, groene en bruine kleurstof opleveren. Als fixeermiddel gebruikt men metaalionen van oa. tin, koper of ijzer die ervoor zorgen dat de kleurstoffen zich aan de vezels hechten.
De familienaam Phaeolus betekent donker of obscuur en verwijst naar de donkere kleur van oudere exemplaren.
Waarom een Roodborstje geen Oranjeborstje heet.
Ons dappere Roodborstje (Erithacus rubecula) heeft helemaal geen rood borstje. Het is vlammend oranje en je zou dus, zeker in ons koningsgezinde landje, verwachten dat hij Oranjeborstje zou heten. Toen men in de 15e eeuw een volksnaam aan dit vogeltje gaf, noemde men hem in Engeland Robin Redbreast, het was namelijk gewoon om aan bekende dieren menselijke namen te geven. Later verwaterde dit tot Robin. Wij noemden dit vogeltje Roodborstje en de Fransen, Rouge-gorge. Blijkbaar was in de 15e eeuw iedereen kleurenblind.
Het woord oranje kende men voor de 16e eeuw echter helemaal niet. Pas na de introductie van de sinasappel begon men diens naam voor de kleur te gebruiken. In het Engels heet de sinasappel orange. Oranje komt van het Oud-Franse pomme d’orenge, dat zelf weer afkomstig is van het Italiaanse arancia, dat weer teruggaat op het Arabische nāranj en het Sanskrit naranga. Oranje zaken werden voor de introductie van de sinaasappel dus gewoon rood genoemd. Zo had men rood haar en zag men rode herten en roodborstjes.
De Latijnse naam van het Roodborstje, Erithacus rubecula, verwijst ook weer naar rood. Rubecula is een verkleinwoord dat is afgeleid van ruber, het Latijn voor rood. We zien dit woord ook terug in Ruby, het Engelse voor robijn.
Lees ook: Isabellawit, Gedoodverfd, Violet en Caput mortuum.
Grote Aalscholver (Phalacrocorax carbo)
Nederland kent een aantal grote aalscholverkolonies, één daarvan ligt in de Amsterdamse waterleidingduinen. Tijdens een buitengewoon gure dag was ik daar laatst gaan fotograferen. De kolonie zie, hoor en ruik je al van verre. Aalscholvers zijn forse, tot 1 meter, grote vogels, die gezamenlijk heel wat kabaal kunnen maken. De bomen waar ze in nestelen en de grond eronder zijn bedekt met hun witte uitwerpselen. Deze stront is zo zuur dat nagenoeg alle begroeiing in de kolonie sterft. Alles ruikt er sterk naar vis en guano. De meeste Aalscholvers krijgen nu hun mooie zomerkleed. De veren op hun kop en bij hun wangen kleuren dan grijs en ze krijgen witte plekken op hun dijen. Aalscholvers behoren tot een hele oude vogelfamilie, één die nog sterk lijkt op de allereerste vogels die ooit tegelijkertijd met de dinosauriërs leefden.
Arm hondje
Gisteren maakte ik na het eten nog even een klein ommetje. Het begon al te schemeren dus de meeste hondenbezitters kwamen naar buiten. Er is een omgekeerd evenredig verband tussen de kans dat je een hondenbezitter kunt zien en het moment dat zij hun hond uitlaten. Een relatie die ongetwijfeld wordt ingegeven door het feit dat zij niet graag met hun vingers in een boterhamzakje door een warme hondendrol graaien, wat helaas weer resulteert in veel onopgeruimde hondenstront en een frisse aversie van niet hondenliefhebbers tegen deze asociale uitlaters.
Gisterenavond hoorde ik al van verre zo’n eigenaar tegen zijn hondje blaffen. Met heftige gebaren en verheven stem probeerde hij zijn troetel iets duidelijk te maken. Blijkbaar maakte dit baasje zich behoorlijk druk want je kon zijn commentaar tot aan het einde van de straat horen. Nu heb ik niets tegen hondenliefhebbers, maar deze specifieke dierenvriend heb ik niet al te hoog zitten. Ik bedoel hoe dom kun je zijn, hondjes spreken toch geen Nederlands. Zelfs geen plat Tilburgs. Hoewel dat behoorlijk dicht in de buurt van blaffen komt, kun je er gevoeglijk toch van uitgaan dat het gemiddelde teefje hier geen touw aan vast kan knopen.
Lees ook: Rassen en soorten, Ruiken en geroken worden, Het gras aan de overkant, Vluchtgedrag en Kleine dingen.
Damherten in de Amsterdamse waterleidingduinen
 3-2016 5533_430.jpg)
 3-2016 5865_200.jpg)
 3-2016 5647_200.jpg)
![]()
In de Amsterdamse waterleidingduinen leven zo veel damherten dat ze de biodiversiteit van het natuurgebied aantasten en ze binnenkort (na veel protest) mogen worden afgeschoten om de populatie terug te dringen. Nu is het normaal gesproken zo dat je in onze natuur echt niet zo snel een hert tegenkomt, het is eerder uitzondering dan regel. Behalve in de Amsterdamse waterleidingduinen. Tijdens een relatief korte wandeling op een donkere gure dag, heb ik er (ongelogen) zo’n 100 gezien. De eerste stonden al op een paar meter van de ingang bij het hek. Ze zijn niet schuw en je kunt ze, als je rustig beweegt, makkelijk tot op een meter of tien benaderen. Dat zal straks wel veranderen. Naarmate er steeds meer worden afgeschoten zullen ze wel wat schichtiger worden. En eigenlijk is dat ook natuurlijk, want nu krijg je af en toe het gevoel op een grote kinderboerderij te lopen. De damherten in dit gebied hebben geen natuurlijke vijanden en konden zich dus ongehinderd voortplanten. De reden voor het afschot is in mijn ogen dan ook legitiem, grote stukken grond zijn kaalgevreten en veel bomen en struiken, zoals de zeldzame kardinaalsmuts zijn van hun bast ontdaan. Als de biodiversiteit van de flora achteruit gaat, volgt al snel die van de fauna.


 3-2016 7579_430.jpg)
 3-2016 7674_200.jpg)
 3-2016 7583_200.jpg)