Weblog
Vuurwerk door mijn zolderraam (2)
Big stopper aan het strand
Neutral density- of grijs-filters zijn gemaakt om de hoeveelheid licht dat door je lens valt te beperken, zodat je met veel langere sluitertijden kunt werken dan je normaal onder die omstandigheden zou kunnen. Enkele van de zwaarste grijsfilters zijn de 10x filters, deze houden zoveel licht tegen dat je er haast niets meer doorheen kunt zien, ze worden ook wel big stoppers genoemd. Zo’n filter zat al maanden in mijn fototas, maar omdat ik niet graag vanaf statief werk, had ik hem nog steeds niet gebruikt.

Afgelopen weekend had ik eindelijk weer eens de kans om naar het strand van ‘Gravenzande te rijden en heb ik er wat test foto’s gemaakt. Het was erg vroeg en erg koud. Bij een pier heb ik mijn statief opgesteld en met het filter en lange sluitertijden gespeeld.
Binnenstebuiten kat
Iedereen kent het wel, katten in de vensterbank, die met een nonchalante interesse naar buiten kijken. Je kunt geen straat doorlopen en je ziet er wel een paar. Deze kat heeft dat niet helemaal begrepen, zij zit steevast aan de buitenkant van het venster en tuurt naar binnen. Bijna elke ochtend, als ik naar mijn werk fiets, zie ik haar zitten. Voor het raam, zonder moeite balancerend op de smalle schuine vensterbank.
Schaatsenrijders (Gerris lacustris)
Omdat watermoleculen elkaar aantrekken, ontstaat er op de scheiding tussen lucht en water een spanningsgebied. Deze oppervlaktespanning zorgt ervoor dat het wateroppervlak zich als een dun vlies gedraagt en dat kleine dieren, zoals spinnen en insecten, die nat worden er niet meer aan kunnen ontsnappen. Ze zitten dan als het ware aan het oppervlak vastgeplakt.
Sommige insecten, zoals schaatsenrijders, jagen op dit dunne oppervlak en moeten het hebben van dieren die door deze oppervlaktespanning zijn gevangen. Om er voor te zorgen dat schaatsenrijders er niet zelf aan ten prooi vallen, hebben ze op hun lijf en poten vele microscopische hydrofobe haartjes, deze vergroten het oppervlak en vangen lucht, waardoor ze niet nat kunnen worden. Deze haartjes zorgen er ook voor dat een schaatsenrijder met zijn ranke poten over het wateroppervlak kan schaatsen. Onder de juiste lichtinval kun je goed zien dat ze met hun pootjes dit dunne oppervlak enigszins indrukken, net zoals onze vingers dat zouden doen in een strakgespannen stuk stof.
De middelste en achterste poten van schaatsenrijders staan als een statief midden onder het zwaartepunt van hun lijf. Plat uitgespreid verdelen deze hun gewicht zodat ze stabiel en droog op het oppervlak staan. Hun voorste poten bevinden zich helemaal vooraan het lijf en deze houden ze naast hun kop op het water om trillingen op het oppervlak mee in de gaten te houden. Op dezelfde manier waarop een spin de trillingen in haar web in de gaten houdt, controleert de schaatsenrijder met zijn poten of er prooidieren op het wateroppervlak terecht zijn gekomen.
Schaatsenrijders zijn, ondanks dat sommige mensen ze veel op langpootmuggen vinden lijken, geen muggen, het zijn wantsen. Ze hebben een scherpe proboscis waarmee ze hun prooi uitzuigen. Ze steken deze snuit in het lichaam van hun prooi, spuiten er verterende enzymen mee in en zuigen het lichaam er daarna weer mee uit, enigszins zoals spinnen zich ook voeden, ware het dat spinnen geen proboscis hebben.
Er bestaan meerdere, moeilijk uit elkaar te houden soorten waarvan de meeste zowel volledig gevleugelde, kort gevleugelde als ongevleugelde populaties kennen. Door binnen een soort hierin te variëren, zijn ze beter voorbereid op potentiele wijzigingen in hun leefmilieu. Ongevleugelde exemplaren zijn minder kwetsbaar en stoten beter water af, terwijl gevleugelde exemplaren zich makkelijker kunnen verplaatsen en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lokale veranderingen in de leefomstandigheden.
Over hartkamers, schelpen, oren, tongen en kachels. (Glossus humanus)
De ossenhartschelp behoort tot een oude soortenrijke familie waarvan er momenteel nog maar een paar bestaan. Ze zijn, afgezien van de gladde gekromde umbo’s (toppen), bedekt met fijne concentrische lijntjes, dunwandig en hebben vaak een bruin periostracum. Ossenhartschelpen worden ca. 9 cm groot en komen algemeen voor van IJsland tot aan de Middellandse Zee, waar ze op zand- of modderbodems leven. De ossenhartschelp heeft een gladde witte binnenkant en de slak is eetbaar. Zijn Latijnse naam, Glossus humanus, kreeg hij van Linnaeus en betekent ‘mensentong’, maar hij stond ook wel bekend als Cardium humanus, ‘mensenhart’ en er is weinig fantasie nodig om in deze grote schelp een mensenhart te zien. Veel tweekleppige schelpen staan in de volksmond dan ook bekend als hartschelpen.
 5-2016 9459_200.jpg)
 5-2016 9462_200.jpg)
 5-2016 9457_200.jpg)
In het Engels is er een bekende uitspraak: ‘warm the cockels of your heart’, die men vaak gebruikt als men iets ziet dat ons hart sneller doet slaan en ons een fijn en warm gevoel geeft. Nu zijn er meerdere etymologische verklaringen voor deze cockels, één ervan verwijst naar de hartkamers van ons hart. Deze hartkamers heten in het Latijn ‘cochleae cordis’, wat is afgeleid van ‘cochlea’ het Latijn voor slak. Deze hartkamers danken hun naam dus aan de vormovereenkomst met een slak. Aangezien ons hart al heel lang als de zetel van onze emoties wordt gezien, is het dus ook makkelijk voor te stellen dat een fijn gevoel, een warme gloed, zich nestelt in ons hart.
Er wordt echter ook wel eens geopperd dat ‘warm the cockels’ niets te maken heeft met ons hart maar met het feit dat je schelpen, zoals ‘kokkels’, moet verhitten voor ze zich openen, net zoals je mosselen moet koken voor je ze kunt eten. Schelpen zoals kokkels behoren daarnaast tot de zogenaamde hartschelpen (Cardiidae) en danken hun naam juist weer aan de vormovereenkomst met een hart. Andere verklaringen zijn dat het woord cockles ook wel wordt gebruikt voor de bakruimtes in een oven, welke je natuurlijk ook regelmatig moet verwarmen of zelfs een verbastering is van het Latijn voor oren, namelijk ‘auricles’, waarvan er net als bij de tweekleppige schelp een linker en rechter exemplaar bestaan. En ook bij deze verklaring is de vergelijking tussen de vorm van sommige schelpen en oren makkelijk gemaakt.
Een laatste, maar minder aannemelijke, verklaring die nog wel eens wordt vermeld is dat het ‘cockels of your heart’ lijkt op het Nederlandse ‘kachels van je haard’, iets wat wij terug zien in ons gezegde ‘eigen haard is goud waard’.
Lees ook: Kamelen, vagina’s, sluitspieren en porselein, Met de kont draaien, aarzelen en oude vrouwtjes en Meiocardia moltkiana.
Pit van verderf
Mijn oma is 94. Ze ruikt naar sigaretten, is nagenoeg doof en zit in een rolstoel in een klein kamertje in een verzorgingstehuis. Ze heeft jarenlang op zichzelf kunnen wonen, tot ze naar een aanleunwoning toe moest omdat ze regelmatig medische en huishoudelijke hulp nodig had. Onlangs werd ze daar ziek en ging het snel. Alsof er een kleine zwakte in het verder zo sterke mensje op dit moment had zitten wachtten, maakte dit van haar ziekte gebruik om haar in sneltreinvaart af te breken. Ze was altijd al slechthorend, maar nu begon ze ook ineens dingen te vergeten, belangrijke dingen. Hoewel ze elke dag een pakje sigaretten rookte, deed ze nog zelf boodschappen en kon ze nog goed uit de voeten, maar ineens kon ze zelfs haar eigen ontlasting niet meer ophouden. Die kleine zwakte, dat pitje van verderf, vierde feest en trok haar verder mee naar het verval.
Nu zit ze in een tijdelijk verzorgingstehuis. Nu is ze aan het wachtten, wachtten op urgentie, wachtten tot ze weer verkast wordt. Alles wat ze tijdens haar leven had opgebouwd en verzameld, verdwijnt, er blijft steeds minder van haar over. Haar gezin, haar woning, haar spulletjes, de controle over haar lichaam, bijna alles heeft ze achter zich moeten laten en nu beetje bij beetje ook haar identiteit en haar beslissingsrecht. Vreemd genoeg taalt ze zelfs niet meer naar haar sigaretten, alsof zelfs haar verlangens zijn verteerd. Haar leven droogt steeds verder op tot er alleen dat kleine pitje van verderf overblijft. Dat onvermijdelijke zaadje van entropie dat we allemaal in ons dragen.
Lees ook: Slopende ziekte en Tere schuld.
Bladvlekziekte
De mooie grijze vlekken met zwarte omlijning op dit herfstblad worden door een schimmel veroorzaakt. Deze schimmel, vermoedelijk een Cercospora variant, wordt door de wind verspreid en heeft een natte omgeving nodig om zich te kunnen ontwikkelen, vandaar dat ze het vaakst in de herfst wordt gezien. Als het natter is, zullen de vlekken zich uitbreiden en kunnen ze in elkaar overlopen. Naarmate deze schimmelbesmetting toeneemt, kan de waardplant door verminderde fotosynthese steeds minder energie omzetten en zal hij sterven. De schimmel op de bladeren die op de grond vallen, overwintert in de strooisellaag en kan de plant in het volgende jaar opnieuw besmetten. Deze nieuwe besmetting begint dan aan de onderkant van de plant en werkt zich langzaam omhoog. De sporen van de schimmel infecteren de plant via de huidmondjes en hebben voldoende vocht nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Hiervoor moeten de bladeren aan de buitenkant minimaal een hele dag en een nacht nat zijn. Dit zijn echter condities die zich in ons land vaak genoeg voordoen. Als de vlekken net op de bladeren zijn verschenen hebben ze nog geen grijs centrum, dit ontstaat pas in een later stadium als de vlekken groter worden. Onder de juiste omstandigheden kunnen er 4 tot 5 cycli per seizoen plaatsvinden, waarbij elke nieuwe cyclus zich sterker uit en de vlekken groter worden, tot aan een centimeter doorsnee toe. Er zijn enorm veel soorten schimmels die deze bladvlekziektes veroorzaken en velen specialiseren zich zelfs in een bepaalde plantensoort.


















