Als het woord jutten komt van jatten en jatten van vingers dan zijn dit dus strandjatten.
Weblog
Wintertijd
Vannacht gaat de klok weer een uurtje terug. We gaan weer naar ons “echte” tijdsysteem. Tijdens zomertijd, of in het Engels Day Saving Time, zetten we de tijd altijd fictief een uurtje vooruit. Hiermee houden we het ’s ochtends langer donker en ’s avonds langer licht. Dit zou voor een betere nachtrust en minder verlichtingskosten zorgen. Zou het echter niet beter zijn om niet naar de wintertijd terug te gaan? ’s Ochtends is het nu toch donker ongeacht het tijdstip waarop je opstaat en ’s avonds zou een uurtje meer licht op de verlichtingskosten kunnen besparen. Waarschijnlijk is elk uur extra licht dat we in deze donkere maanden krijgen nog beter voor onze gezondheid ook. In elk geval wel voor mijn humeur. Ik vind het helemaal niet erg om in het donker naar mijn werk te fietsen maar om elke avond in het donker naar huis gaan vind ik verschrikkelijk. Dus bij deze boycot ik de wintertijd, mijn horloge en wekker worden niet verzet! Ik ga gewoon een uur eerder naar mijn werk, nu maar hopen dat ik dan ook een uurtje eerder naar huis mag.
De etymologie van entomologie
De woordherkomst of ontstaansgeschiedenis van een woord (etymologie)verklaart waar een woord vandaan komt en geeft een historische verklaring voor de manier waarop de vorm van een woord tot stand is gekomen. Veel woorden hebben een boeiende en verrassende oorsprong. Eén van deze woorden is het woord entomologie.
De woordherkomst van entomologie (insectenkunde) heeft te maken met de insnijdingen die insectenlijven kenmerken. Het Griekse éntoma (insecten) hoort bij het werkwoord entémnein (insnijden), het woord entomologie is hiervan afgeleid. Plinius de Oudere heeft het Latijnse insectus gebruikt als leenvertaling van éntoma. Insectus is het voltooide deelwoord van insecare (insnijden). Plinius noemde de insecten zo vanwege “de insnijdingen, die het lichaam verdelen in afzonderlijke delen”. In het Nederlands gebruikte men in de 16e eeuw het woord kerfdiertjes. Waarbij men kerf moet lezen als insnijding, inkeping. Zo hebben het Latijnse insect, het Griekse éntoma en het Nederlandse kerfdiertje een vergelijkbare ontstaansgeschiedenis. Allen verwijzen naar de morfologie van het grootste phylum van de arthropoda.
De heremietkreeft
Op het strand vond ik laatst een heremietkreeftje. Mooi weggestopt in een wulk. Toen ik hem oppakte schoot hij meteen de schelp in. Ik heb hem toen teruggezet en gewacht tot hij weer tevoorschijn zou komen. Dat deed hij heel voorzichtig, steeds een stukje verder naar buiten en dan ineens weer helemaal terug. Dit herhaalde hij een paar keer. Op het laatst was hij ver genoeg naar buiten om met zijn oogjes onder de schaal van de schelp door te kunnen kijken. Veel verder dan dat vertrouwde hij het niet.
In één van de lege wulkschelpen die we mee naar huis hadden genomen bleek ook nog een kleine alikruik te zitten, met een klein heremietkreeftje erin. Hier kwamen we pas achter toen hij met schelpje en al uit de grotere schelp was gekropen. Dit kreeftje kwam echter al snel helemaal uit het alikruikje en ging vrijwel meteen daarna dood. Ik denk dat hij te lang bij het water vandaan was. Heremietkreeftjes zijn eigenlijk geen kreeften en geen krabben, ze behoren tot een eigen familie, de Paguroidae (tienpotige kreeftachtige). Ze hebben geen pantser op hun achterlijf en gebruiken lege schelpen om zich te beschermen. Ik stond er eerder niet bij stil maar heremietkreeften hebben een gedraaid achterlijf zodat zij beter in schelpen passen. Al deze kreeften zijn, net als de meeste schelpen, rechtsom gedraaid. Zover ik heb kunnen achterhalen bestaan er geen linksom gedraaide heremietkreeften. De rechter schaarpoot van deze kreeften is ook veel groter dan de linker.
Heremietkreeften voeden zich op verschillende manieren. Ze hebben in hun bek een zeef waarmee ze plankton kunnen uitfilteren, ze kunnen een slijmnet uit hun bek laten hangen waarmee ze plankton vangen en hebben borsteltjes aan hun mond waarmee ze kleine diertjes tussen zandkorrels kunnen opvegen. In de Noordzee komt maar één soort voor, de gewone heremietkreeft.
Casco Hemiksem
De Casco scheepswerf in Hemiksem is de enige scheepswerf in Vlaanderen en één van de weinige in de Benelux die de allergrootste binnenschepen kan droogleggen. In 2000 ging de scheepswerf Fulton Hemiksem failliet en ging de werf onder een nieuwe naam en eigenaar verder. Casco staat voor Christine Avonts Scheepswerf Contractors Onderneming, Chistine was de nieuwe directeur na de overname door de Avonts familie. Bij Fulton Hemiksem werkten 75 werknemers, casco startte met slechts 15 werknemers op. Om de scheepswerf weer zo snel mogelijk succesvol te maken werd de helling van 115mtr naar 145mtr verlengd. Casco richtte zich op scheepsherstelling met de hoop uit te kunnen groeien met afbouw, nieuwbouw en contracten voor pontons en kraanvlotten. Dat latere is er echter niet van gekomen, dergelijke bouw heeft zich vrijwel uitsluitend verplaatst naar oost Europa en China. Momenteel houden ze zich bezig met scheepskeuringen, herstelwerkzaamheden en staalconstructies. Op de foto’s kun je zien hoe zij een schip van 90mtr lengte via de helling droogleggen. Het schip wordt boven de uitgeschoven dragers geplaatst en met laag water via de vele kabels op de helling getrokken.
klik hier voor meer foto's van casco hemiksem
Afval
Deze tijd van het jaar is zo mooi. Alle bomen verzamelen hun afvalstoffen en giffen in hun bladeren en laten deze dan, door de sapstroom af te sluiten, langzaam sterven. Tot de steel zo is verdroogd dat het verkleurde dode blad afvalt. De fraaiste kleuren hebben deze bladeren dan. Afval was nog nooit zo mooi geweest. Iedereen wordt er altijd een beetje meewarig van, als de bladeren gaan vallen sluit je het seizoen af. Het wordt steeds donkerder, kouder, grauwer. Deze laatste opleving van kleur is er des te mooier door. Vroeger leerde ik bij biologie dat alles wat eet, poept. Dat betekent eigenlijk dat alles wat groeit afvalstoffen uitscheidt. Groei is één van de definities van leven. Eigenlijk kun je dus ook stellen dat poepen één van de definities van leven is.
Nu weet ik het niet van jou maar de manier waarop ik van mijn afvalstoffen afkom is heel wat minder prozaïsch dan de manier van planten. Waarschijnlijk moet je er gewoon niet te lang bij stil staan. Zoals zo veel dingen wordt de wereld er vaak niet gemakkelijker door als je teveel over de dingen nadenkt. Ik denk dus niet aan afvalstoffen en vuiligheid en neem nog wat mooie gekleurde bladeren mee naar huis. Wat zijn bladeren toch een fantastische uitvinding, een mooiere manier om van je afvalstoffen af te komen ken ik niet.
Paddenstoelen
Ik snap de fascinatie van sommige mensen voor paddenstoelen wel. Ik ben zelf dol op champignons, shi-take en morieltjes. Hoewel ik cantharellen wat overgewaardeerd vind zijn ze, als je ze zachtjes stoomt, best te genieten. Ook om te fotograferen zijn paddenstoelen leuk, ze komen maar even boven de grond en verdwijnen dan weer. Je weet nooit precies waar en wanneer en ze zijn altijd weer mooi. Toch vind ik het soms jammer als ik er weer eentje heb gefotografeerd. De meeste dieren en planten zijn vrij gemakkelijk te determineren, paddenstoelen daarentegen zijn heel wat lastiger op naam te brengen. Maar misschien ligt het wel aan mijn determinatiegidsje voor onderweg. Hier staan er 1200 in afgebeeld, de één nog meer gelijkend dan de ander. Is het een purpersnede-, helm-, streepsteel-, roestvlek-, grijsbruine gras-, melksteel-, pracht-, grote bloedsteel-, graskleefsteel-, groensnede-, roze sparren-, goudrand- of oranje dwerg-mycena? Het boekje weegt dan ook ruim 1,5 kilo. Soms is een veldgidsje te uitgebreid en ben ik al blij als ik weet dat het een mycena paddenstoeltje is. Daarnaast ben ik ook echt niet van plan om onder de microscoop de sporen te onderzoeken, dat is voor anderen. Ik hou het dus maar gewoon op een mycena.
lees ook Onbeleefde lul, Cordyceps en Inktviszwam
NSI
Soms gebeurt het nog wel eens dat je op een locatie komt die zo voor de hand ligt, zo in het zicht ligt dat niemand er gaat fotograferen. Zo’n locatie was NSI. We zagen het voor het eerst aan de snelweg liggen toen we er langs reden. De tweede keer zijn we heel even door de open poort het terrein op geweest om snel een paar foto’s te maken, helaas was deze poort wel dicht toen we terug wilden. Met een auto kom je niet zo snel over een twee meter hoog hek dus we boften dat we toen nog iemand bereid vonden om ons er weer uit te laten. De derde keer vroegen en kregen we netjes toestemming om foto’s te maken, wel waarschuwden ze ons voorzichtig te zijn. Het was niet allemaal meer zo stevig. Het was een mooie locatie waarvan ik op internet geen andere foto’s heb kunnen vinden. Zo mooi en zo makkelijk bereikbaar, het kan toch haast niet dat niemand anders daar is geweest? Nu heeft het echter geen zin meer, alles is gesloopt.
NSI te Wessem is een zand- en grindwinningbedrijf en verzorgt de productie van steenslag en brekerzand. Gelegen op bedrijventerrein ‘Op het Hobus’ lagen de gebouwen aan het water en keken uit op de Clauscentrale. Dit oude gedeelte werd niet meer gebruikt en stond ten tijde dat wij het fotografeerden te koop. De gebouwen die hier op de foto staan zijn nu allemaal gesloopt.
klik hier voor meer foto's van NSI
De geur van mijn vader
Om zes uur was het altijd spannend. Ik kon nog geen klok kijken maar mijn vader kwam altijd op tijd thuis. Als mijn moeder de tafel ging dekken wist ik dat hij zo zou komen. Met mooi weer mocht ik op de galerij op hem wachten. Bij de railing keek ik meestal tussen de spijltjes door maar ik was bijna groot genoeg om er over heen te kijken. We woonden op de bovenste verdieping van een flat in Vlaardingen en ik sliep in hetzelfde kamertje als waarin ik was geboren. Het flat lag helemaal aan de rand van de stad en erachter lagen een parkje en een hoge berg zand. Daar zou later een snelweg komen. Verder in de verte lagen de hoge schoorstenen bij Rotterdam, daar werkte de broer van mijn vader, mijn oom Cas. Vanaf die vierde verdieping kon ik over de hele wereld kijken, het was alsof ik in een hoog kasteel woonde. Mijn vader werkte in een grote fabriek en hij zou zo thuis komen, hij was machine bankwerker en kon goed lassen. Ik stond hem altijd op te wachten, ’s winters achter de deur in het halletje, ’s zomers op de galerij. Mijn vader rook heerlijk als hij thuis kwam, hij rook naar vuur en ijzer.
Nu is mijn vader gepensioneerd en ruikt hij allang niet meer naar ijzer, ik weet eigenlijk niet goed waar hij nu naar ruikt, waarschijnlijk naar zeep en aftershave.
Laatst was ik in een oude machine werkplaats. Een oude werf in Antwerpen waar nog reparaties aan schepen worden gedaan. Binnen rook ik meteen die lucht, die geur die zo moeilijk is te omschrijven. Het is niet alleen hitte en ijzer maar ook kogellagervet en onweer. Telkens als ik die geur ruik moet ik aan mijn vader denken.
De mythe van de volharding
“Als je maar hard genoeg je best doet kun je alles bereiken”. Ook wel bekend als de mythe van de eigen schuld. “Als iets niet lukt ligt dat aan jezelf, had je maar meer je best moeten doen”.
Het nadeel van deze universele denkfout is dat de 99% van de bevolking die niet heeft bereikt wat hun was beloofd denkt dat aan zichzelf te danken te hebben. Buiten hun falen krijgen ze ook nog eens een schuldgevoel toegeschoven. Dit principe zie je dagelijks in werking. De bedelaar die te horen krijgt dat hij maar moet gaan werken, de werkgever die vindt dat zijn personeel beter hun best moet doen om zijn doelen te bereiken, het kind dat ’s avonds langer had moeten doorleren, de partner die merkt dat zijn vrouw vreemd gaat en de oudere werknemer die ontslagen wordt, allen hadden harder moeten werken. Ze doen niet genoeg hun best en tonen een laatdunkend gebrek aan inzet en zelfdiscipline.
Eén van de belangrijkste lessen die iemand kan leren is dat je ook kunt verliezen als je geen fouten maakt.