Mensen kunnen tijd niet direct waarnemen, het is niet iets wat je kunt zien, horen, voelen of ruiken. We meten tijd af aan verandering. We plaatsen gebeurtenissen in een temporale context. Het één komt na het ander. Iets duurt kort of lang. Menselijke tijdsperceptie is altijd subjectief, wij hebben geen gekalibreerd orgaan waar we het verlopen van tijd mee kunnen meten. We weten zelfs nog steeds niet goed waar en hoe onze perceptie van tijd ontstaat.

 

Nu is algemeen bekend dat de subjectieve tijdsperceptie van oudere mensen duidelijk verschilt van die van jongeren. Voor ouderen lijkt de tijd steeds sneller te gaan. Dit wordt vaak toegeschreven aan hun biologische klok. Naarmate deze bij ouderen steeds langzamer gaat draaien lijkt de tijd sneller te gaan. Het is volgens mij echter vooral een zaak van geheugen en gebeurtenissen. Naarmate er meer gebeurtenissen tussen een bepaalde tijdsspanne liggen lijkt de tijdsspanne langer te duren. Dit fenomeen kom je vaak tijdens vakanties tegen. Een nieuwe stad, een nieuwe bakker, een vreemd terrasje en een halve dag in je vakantie voelt het alsof je al dagen weg bent. Het is onmiskenbaar dat jongeren een drukker leven hebben dan de meeste ouderen. Zij ervaren meer (nieuwe) gebeurtenissen dan ouderen, de tijd lijkt voor hen dus ook langzamer te verlopen. Daarbij komt nog dat een jaar voor iemand die er tien heeft geleefd een langere periode in verhouding tot zijn bestaanstijd is dan een jaar voor een tachtig jarige. Ook dit zal er voor zorgen dat een tijdsspanne in relatie tot het leven van een oudere korter lijkt. Als laatste heeft tijdsperceptie natuurlijk te maken met ons geheugen. Het geheugen van oudere mensen wordt steeds slechter en de consequentie is dat zij nieuwe gebeurtenissen steeds moeilijker opslaan. Oudere gebeurtenissen die zijn opgeslagen toen hun geheugen nog goed was worden hierdoor vaak makkelijker opgeroepen. Dit zorgt ervoor dat een oudere een gebeurtenis uit diens jeugd soms levendiger kan herbeleven dan een gebeurtenis die slechts een dag eerder is voorgevallen. Oudere gebeurtenissen lijken hierdoor dichterbij te staan en de tijdsspanne ertussen lijkt dus navenant korter.

 

Mijn Oma kon tegen het einde van haar leven zeer geanimeerd praten over haar jeugd. Toen op een avond mijn beide overgrootmoeders bij elkaar kwamen wisten ze zich gebeurtenissen en liedjes te herinneren van ver terug uit hun jeugd. Geen van hen wist echter nog wie er de dag daarvoor bij hun op visite was geweest.

 

lees ook travels with my aunt