Vroeger onderzocht men in de kunst de natuur. Door herhaaldelijk kopiëren en empirisch onderzoek ontstond er uiteindelijk een eigen stijl. Men nam de wereld als uitgangspunt en probeerde deze te fileren, te analyseren. Dankzij de kunst kreeg men steeds meer grip op deze wereld. Naarmate men hier beter in werd, bleken verschillende kunstenaars verschillende aspecten van de wereld bloot te leggen en ging men de individuele kunstenaars daar om waarderen. Hun handschrift werd hun stijlkenmerk en hun publiek prees hen daar om.

 

Momenteel onderzoeken veel kunstenaars niet meer de natuurlijke wereld maar die van de cultuur, die van de kunst zelf. Deze wereld is echter kunstmatig en buitengewoon veranderlijk. Aangezien men kunstenaars nog steeds het meeste waardeert om hun stijl hebben veel hedendaagse kunstenaars hun probleemstelling veranderd. Ze zoeken niet meer naar nieuwe inzichten maar gaan direct op zoek naar een eigen stijl. Men zoekt een truc, een werkwijze die werkt. Als zij deze hebben (uit)gevonden kunnen ze deze toepassen op de wereld. Het juist toepassen van deze werkwijze kan dan allerlei nieuwe aspecten van de wereld blootleggen. Zij kan tot nieuwe inzichten, nieuwe emoties en een nieuwe esthetica leiden. Hun nieuwe werkwijze fungeert dan als een extra zintuig waarmee ze de werkelijkheid kunnen benaderen.

 

De grote fout die veel kunstenaars (en critici) echter maken is, dat als zij over kunst praten zij deze werkwijze steevast omkeren. Zij praten over het werk alsof de nieuwe analyses en inzichten die deze techniek heeft opgeleverd de reden van het ontstaan van deze techniek was. Maar niets is minder waar. Zij zijn het resultaat van de zoektocht naar een eigen stijl. Deze omgekeerde werkwijze is daardoor echter niet minder waardevol. Als een eigen stijl of werkwijze tot nieuwe beelden en inzichten leidt is de totstandkoming van deze stijl niet het belangrijkst.